Masterclass 6
Anatoli Gantwarg
Partijen, Theorie, Damclub Van Stigt Thans Schiedam en Hoofdpagina

Laat klassieke middenspelpositie zijn alom bekend. Er zijn volksstammen, die zoiets gedurende hun hele leven niet op het bord krijgen. Het is iets wat je overkomt. En als het wel lukt, dan is het nog de kunst om een gunstig exemplaar op het bord te krijgen. Het vereist een kundige strategische opzet van de partij om het zover te krijgen.
Het in de opening zomaar verliezen van tempi zal in het algemeen niet meer automatisch zoals 80 jaar terug leiden tot een gunstige klassieke middenspelpositie. Daarvoor is iets meer nodig. Vaak ontstaat het noodgedwongen, doordat de tegenstander in de opening met voorbijgaan aan positionele overwegingen meerdere malen naar voren ruilt en tempi pakt. Dan heeft elke poging de tempi terug te pakken slechts vervlakking ten gevolge. Het tempoklassiek is dan een antwoord om toch scherp spel op het bord te krijgen.
Een
voorbeeld is de beroemde partij
Letsjinski Gantwarg. Na aanvankelijk tempovoordeel ontstond in het vroeg
middenspel een positie, waarin zwart naast een flexibele stand een achterstand
op ontwikkeling opliep. Hij besloot de bordjes te verhangen en het resultaat was
diagram 1. De
afwikkeling uit de partij is bekend en natuurlijk gezien door de toenmalig Europees kampioen. Echter hij meende dat de hele transactie te duur was. Dank zij het
verrassend opkomen van
schijf 6 komt hij bedrogen uit.
Deze opmerkelijke afwikkeling is inderdaad zoals Letsjinski meende vrijwel nooit
goed voor zwart. Met schijf 40 op 39 is de afwikkeling
remise door de vangstelling op 39/48. Hetzelfde geldt voor de stand met schijf 40 op
34. Dan kan wit na de afwikkeling 34-30 spelen.
De slagzet is een half dozijn keer voorgekomen, soms gemist of genomen voor remise. Hij is van groot belang in dit soort klassieke posities en alleen mogelijk, als het zwarte centrum helemaal 'vol' staat.
In
diagram 2 streefde zwart aanvankelijk naar centrum voordeel en aanval. Maar toen
de tegenstander tot de ruil 12.34-30x29x30 overging, werd besloten het roer om
te gooien. Met een kleine ontwikkelingsachterstand heeft zwart baat
bij een klassieke positie.
Het is van het grootste belang te beseffen, dat dit soort klassieke centrum onder alle omstandigheden gehandhaafd moet kunnen worden. Alle kracht moet daartoe naar de lange vleugel en het centrum. Dit in tegenstelling tot de witspeler, die alleen baat heeft bij openhouden van de stelling en alle krachten verzamelt aan de korte vleugel. In de partij zien we zwart opbouwen met 12-18, terwijl wit opbouwt met 38-33. Dat is logisch. Zwart versterkt het centrum en de lange vleugel, terwijl wit zoveel mogelijk materiaal verzamelt op de korte vleugel voor de aanval. Dit wordt allemaal gedicteerd door de fungerende tempoverhoudingen.
Wanneer
je oplet in de praktijk, dan blijken veel spelers zich niet bewust van deze
wetmatigheid. Sommige witspelers spelen 44-39-33 en verliezen daarmee elke
mogelijkheid om druk uit te oefenen tegen het zwarte centrum. Tal van
zwartspelers bouwen symmetrisch op en beantwoorden 38-33, 42-38, 47-42 met de
opbouw 13-18 en 9-13. Doordat wit eerder is met de aanval leidt dat vrijwel
altijd tot een slechte tot wanhopige stelling voor zwart.
In
diagram 4 maakt wit een heel ernstig fout. Hij speelt namelijk 22.30-25? Zijn
stand moet het helemaal hebben van de formatie 25,30,35,39,40,45 en de dreiging
34-29. Na de gespeelde zet verhindert zwart het opbouwen van deze formatie met
behulp van de bomzet. en komt tot groot voordeel. Natuurlijk had wit hier moeten
opbouwen met eerst 39-34, 49-43-39 en daarna pas 30-25.
In diagram 5 heeft zwart zich met enig succes vastgeklampt aan de kenmerkende formatie van het centrum en lange vleugel. Aan de korte vleugel heeft hij slechts wat tempozetten gedaan met 'overtollige' stukken. Verder is alles naar links gegooid. Wit staat heel erg slecht. Als hij niets onderneemt komt hij vanzelf in een ongunstige tempoklassieke positie terecht. Toch had hij dat maar moeten doen, want de actie uit de partij verliest op slag.
Na 29.40-34 8-12 30.27-22 18x27 31.34-29 23x34 32.30x39 12-18 33.28-22 19-23 34.22x31 18-22 ziet het er griezelig uit voor wit. In een variant als 29.40-34 8-12 30.34-29 23x34 31.30x39 18-23 32.39-34 12-17 33.34-30 13-18 34.27-22 18x27 35.37-31 26x37 36.42x11 ligt terugslaan met 36...16x7 voor de hand en zwart heeft toekomst.
Berends
- Valjoek is een
van de talrijke voorbeelden, waarin de afwikkeling niet goed is. Zwart heeft
rechts een nog veel mooiere
stelling bereikt als in het eerste voorbeeld. Schijf 10 is een nuttige
versterking van de lange vleugel. Zwart ruilde tot verbazing van de omstanders 26...11-17, terwijl hij
beschikt over het voor de hand liggende 26...10-15. De afwikkeling uit diagram 1
dreigt. De enige manier voor wit om de meerslag naar 40 erin te houden is de
verschrikkelijk zet 27.48-42.
Gantwarg vroeg de spelers daarom na afloop naar het waarom. Zwart was (terecht) tot de conclusie gekomen, dat de witte vangstellingen gevaarlijk zijn. De afwikkeling is volgens de eerste onderzoekingen wellicht nog net houdbaar voor zwart na 27.44-40 13-18 28.22x2 21-27 29.32x21 23x32 30.38x27 14-20 31.25x23 15-20 32.30x19 3-8 33.2x13 9x49 34.19-13 11-17 35.21x12 49x43 36.48x39. Maar zwart staat zo goed, dat hij het daar natuurlijk niet voor doet.
Het partijverloop is erg gunstig voor zwart.
De standaardzet 31.39-34 wordt
beantwoord met het thematische 31...14-20 32.25x14 9x20. Wit staat dan heel erg slecht.
Enerzijds dient aandacht besteed te worden aan de afwikkeling 33.30-25 24-30 met
een zorgelijk eindspel.
Anderzijds is voor de tweede maal opvangen met 33...4-9 34.25x14 9x20 vaak gunstig voor de zwartspeler. Hij dreigt dan namelijk veld 25 te veroveren. Wanneer zwart zowel 25 als 26 in bezit heeft, dan kan zijn tegenstander er niet staan. Dat scheelt een groot aantal tempozetten. Het is dan niet erg dat zwart zoals in onderhavige geval wat ontwikkelingsvoorsprong heeft.
In dit geval is dat evenwel niet zo, omdat wit na 35.34-30 20-25 36.48-42 25x34
37.40x20 15x24 38.43-39 3-9 39.39-34 9-14 40.34-30 op tijd is om zwart weg te
houden van veld 25 en met een berg tempi achter de hand groot voordeel heeft.
Uiteengeslagen stellingen zoals in de partij Baba Sy - Wiersma komt regelmatig voor naar aanleiding van een geweigerde Bronstring hekstelling. Ook hier krijgt wit een ontwikkelingsvoorsprong en een wat verstrooide stelling. Zwart besluit te gaan voor tempoklassiek en begint een mooie en robuuste lange vleugel op te bouwen om de onvermijdelijke witte tegenaanval het hoofd te bieden.
In
diagram 9 de kenmerkende sleutelpositie. Zwart heeft zijn lange vleugel
versterkt en wit staat klaar om met 39-34-29 en 28-23 de stand op te blazen. De
enige manier om dit te verhinderen is de ruil 14-20x20. Deze ruil dient genomen
te worden op het moment, dat wit 39-34 speelt.
Na direct
23...14-20 24.25x14 9x20 25.30-25 4-9 26.25x14 9x20 27.40-34 is het juist de
witspeler, die in het voordeel komt. Veld 25 is onder controle van wit evenals
het tempovoordeel. Dat is ook de reden dat zwart eerst het wat bloedige tempo
23...11-16 speelt.
De klassieke stand die ontstaat, behoort Inmiddels tot de standaardposities. Een dergelijke positie was recentelijk het onderwerp van een uitgebreide discussie op internet. Veel van dit soort standen zijn remise door het offer van Dussaut. Maar in de ene situatie is dat wat eenvoudiger, dan in de andere. Soms kan zwart de gaten tijdig dichten. Een interessant voorbeeld had zich voor kunnen doen in het late middenspel van Berends - Valjoek.
Hier is het gespeelde 43.27-22 12-18 44.30-25 18x27 45.35-30 24x35 46.33-29 13-18 47.29-24 19x39 48.28x10 39-44 49.10-4 18-22 een goede remisekans. Echter in tijdnood ontglipt wit de blunder 50.25-20, waar 50.4-15 met de dreiging 33-29 veel verdediging biedt. Tijdnood op een ongelegen moment is een van de redenen, waarom tempoklassieke posities zo gevaarlijk zijn.

Mits op de hoogte van de standaardopstellingen, is het mogelijk in het vroeg klassieke middenspel heel erg diep te kijken. Toch is het soms nodig om net iets beter te kijken om ongelukken te vermijden. In de diagramstand uit de partij Meijer - Gantwarg heeft zwart langdurig zitten rekenen. Hij moet kiezen tussen 23-29 en 10-15. De stand in de variant na 22...10-15 tot de 37e zet is op dit moment in ogenschouw door hem genomen. De waarde van die positie werd helaas verkeerd getaxeerd. Anders had hij zeker voor 22...23-29 gekozen.
Na
22...23-29 is de afwikkeling 23.28-23 19x28 24.32x34 21x41 25.36x47 het enige
plan voor wit, dat iets kan zijn. Na alle andere zetten wordt het tempoklassieke
voordeel van zwart alleen maar groter. Het beoordelen van de positie na de
afwikkeling is geen eenvoudige opgave. Op het eerste gezicht lijkt wit aardig
geboerd te hebben. Hij heeft immers tempovoordeel en schijf 36 is teruggekeerd
op veld 47.
Toch
was Gantwarg van mening, dat zwart kansen heeft. Weliswaar hebben beide spelers
'íjs' aan de korte vleugel. Maar wit heeft meer 'ijs'. De kunst is om dit nog
wat erger te maken.
Berekend werden varianten als: 25...11-17 26.30x19 14x23 27.44-40 17-22 28.34-29 23x34 29.40x29 22-27! Dit heeft de bedoeling om via 6-11-17-21 het witte spel aan banden te leggen op de lange vleugel en in het centrum. In de hoop dat er meer materiaal naar de korte vleugel vloeit en niets gaat staan doen.
De noodgreep uit de partij 24-30x30x24 bleek links in opeens noodzakelijk, omdat het geplande 37...6-11 38.34-30 25x34 39.39x30 23-29 40.43-39 29-34 41.30-25 34x43 42.38x49 gewonnen is voor wit. Er zijn meer tegenslagen, denkbaar waar spelers, die gaan voor tempoklassiek rekening mee moeten houden:
In
diagram 14 uit de partij
Thijssen -
Tchartoriiski de kenmerkende stelling na een correct standaard behandeling van het middenspel door wit. In
de partij werd overgegaan tot het overhaaste 33.40-34? Dat is niet de goede zet,
omdat zwart met 24-29 en 23-29 zijn stand kan bevrijden. Normaliter zou Kees een
dergelijke fout niet maken, maar hij was al in grote tijdnood, dank zij verwoede
pogingen 'verbeteringen' te vinden voor wit ten opzichte van de standaard.
Geen goede zet is 33.42-37 11-17 34.40-34 vanwege 34...24-29 35.33x24 20x40 36.35x44 16-21 37.27x16 18-22. Wel kansrijk is 33.50-45. Een mogelijkheid is 33.50-45 20-25 34.40-34 15-20 35.42-37 11-17 36.37-31 17-21 37.31-26 12-17 38.45-40 8-12 39.35-30 24x44 40.39x50 20-24 41.43-39 en zwart moet afwikkelen naar een nadelig afspel met 24-29. Na 33.50-45 11-17 34.40-34 24-29 35.33x24 20x40 36.45x34 heeft zwart een erg statische stelling.
De aanval tegen de zwarte lange vleugel met behulp van de formatie 25,30,35,39,40,45 is best een probleem. De formatie 3,4,9,10,13,14,15,18,23,24 is zo ongeveer het minimaal vereiste om de aanval 34-29 en 28-23 vruchtbaar tegen te gaan.

In diagram 15
uit de partij
Tokoesarov,I. - Gantwarg speelde wit in pure onschuld 15.34-29 niet wetende dat
dat een flinke spaak in het wil van de plannen van zijn tegenstander zou steken.
Het ontwikkelen van schijf 10 lijkt in het voordeel van zwart, maar zonder
schijf 15 is de zwart stand minder goed in staat de kenmerkende witte aanvalsactie te
stuiten.
In diagram 16 staat wit klaar voor de opmars 49-43-39-34. Hij heeft reeds een flinke ontwikkelingsvoorsprong. Na het geplande 24...23-29 25.40-34 29x40 26.45x34 18-23 27.37-31 21-26 28.42-37 staat wit erg ver naar voren en zou daarom wel eens goed kunnen staan. Daarom besloot Gantwarg het nog maar even aan te zien. Het gevolg was verschrikkelijk. Gelukkig maar dat Tokoesarov een remiseopdracht had. Anders was het wellicht niet goed gegaan. De eindstand is misschien wel of misschien net niet houdbaar.
Enige weken
terug heeft zich de stelling van diagram 17 voorgedaan in de partij Guido van
der Berg - Frits Luteijn. In de partij werd (7-11) 27-22; 34-29 en 45-40
gespeeld en het was heel erg plat. Opgemerkt werd na de partij, dat de opstoot
(24-29) (14-20x29) 37-31x31 (3-9) nog verrassend goed speelbaar is. De
afwikkeling (24-29) (14-20x29) 37-31x41x14 faalt op de tegencombinatie 32-38 en
13-19x38.
Tijdens de World Mind Sport Games deed zich een opmerkelijk geval voor tijdens de partij Valneris - Lognon. Hierin heeft de aanvaller een extra stuk op de korte vleugel en kan hij zich meer permitteren. Tijdens de competitie in de partij NDiaye - Zweerink aarzelt de witspeler bij de uitvoering van zijn plannen om schijnbaar raadselachtige redenen. Het onvervaard doorzetten van het plan is belangrijk. In de partijen Meurs - Sier en Luteijn - Hildering toont wit slappe knieën. Het gevolg is, dat zwart langdurig makkelijk spel heeft (had moeten hebben).
