(56254) Letsjinski,R. - Gantwarg,A.
06: Wch*, 05-12-1980


1.32-28 20-25 2.31-27 19-23 3.28x19 14x23 4.37-32 10-14 5.41-37 14-19 6.33-28 17-22 7.28x17 11x31 8.36x27 5-10 9.39-33 10-14 10.44-39 12-17 11.46-41 8-12
In deze stand streefde zwart aanvankelijk naar centrum voordeel en aanval. Maar toen zijn tegenstander besloot tot:
12.34-30
Ontstond een stelling waarin het roer om moest.

Regelmatig komt het voor dat tegenstanders in de opening meerdere malen naar voren ruilen en een rommelige stelling krijgen met tempovoordeel. Op zulke momenten geeft ene poging om de tempi terug te pakken slechst remise. Klassiek maken is dan een voor de hand liggende optie. Het moet evenwel een klassieke stand zijn, die robuust en een stormloop kan weerstaan.
25x34 13.40x29 23x34 14.39x30
Deze zwarte stelling beantwoordt in menig opzicht aan de vereisten. Zwart heeft een kleine ontwikkelingsachterstand en daarom baat bij een klassieke positie. Het is van groot belang de klassieke positie onder alle omstandigheden te kunnen handhaven. Alle kracht moet naar de lange vleugel en het centrum. Anders wordet het klassieke teruggeslagen met noodlottige gevolgen.

Dit is tegenstelling tot de witspeler, die alleen baat heeft bij het openhouden van de stelling en zoveel mogelijk kracht verzameld op de korte vleugel. In de partij zien we zwart opbouwen met 12-18, terwijl wit verdergaat met 38-33.

Dat is logisch. Zwart versterkt het centrum en de lange vleugel, terwijl wit zoveel mogelijk materiaal verzameld voor de aanval. Dit zijn allemaal de onvermijdelijk consequentie van de fungerende tempoverhouding.

Wanneer je oplet in de praktijk, dan zie je tal van spelers, die zich niet bewust zijn van deze wetmatigheden. Sommige witspelers spelen 44-39-33 en verliezen daarmee de mogelijkheid om druk uit te oefenen tegen het zwarte centrum. Tal van zwartspelers bouwen symmetrisch op en beantwoorden 38-33, 42-38, 47-42 met het betekenisloze 13-18, 9-13 etc. en worden onder de voet gelopen.
15-20 15.50-44 18-23 16.33-28 20-24 17.38-33 17-21 18.42-38 21-26 19.47-42 12-18 20.44-40 7-12 21.43-39 6-11 22.30-25 Dit is gezien de wetmatigheden van de stand een ernstige opbouwfout van de witspeler. Hij moet het hebben van de formatie 45,40,34,35,30,25. Na deze zet komt het er niet meer van.
[ Natuurlijk had wit moeten opbouwen met 22.39-34 gevolgd door 49-43-39 en daarna pas 30-25 ]
22...2-8 23.49-43 11-17 24.41-36 17-21 25.40-34 1-6 26.34-29 23x34 27.39x30 18-23 28.45-40 12-18 29.27-22
Zwart heeft zich uitsluitend gericht op het handhaven van de kenmerkende klassieke formatie. Op de korte vleugel hefet hij slechts wat tempozetten gespeeld. Voor de rest is alles naar links gegooid. Wit staat heel erg slecht. Als hij niets onderneemt komt hij vanzelf in een ongunstige tempoklassieke positie terecht. Toch had hij dat maar beter kunnen ondergaan. Want wat hij doet verliest op slag.
[ Het verloop 29.40-34 8-12 30.27-22 ( In de variant 30.34-29 23x34 31.30x39 18-23 32.39-34 12-17 33.34-30 13-18 34.27-22 18x27 35.37-31 26x37 36.42x11 16x7 gaat zwart een moois tempoklassieke toekomst tegemoet) 30...18x27 31.34-29 23x34 32.30x39 12-18 33.28-22 19-23 34.22x31 18-22 ziet er griezelig uit voor wit. ]
29...18x27 30.37-31 26x37 31.42x22 13-18
Deze afwikkeling is erg bekend. Vrijwel nooit is hij goed voor zwart. De Europees kampioen had het natuurlijk gezien. Hij meende dat de transactie te duur was en kwam bedrogen uit. Met schijf 40 op 39 is de afwikkeling overigens remise, wegens de vangstelling 39/48. Hetzelfde geldt voor de stand met schijf 40 op 34. Dan kan wit na de afwikkeling 34-30 spelen. De slagzet is een half dozin keer voorgekomen, zoms gemist of genomen als remise.
32.22x2 21-27 33.32x21 23x32 34.38x27 14-20 35.25x23 6-11 36.30x19 3-8 37.2x13 9x49 38.35-30 49x26
0-2